Het Klavertje

 

Taalstoornissen

Taalontwikkelingsstoornissen

Bij sommige kinderen loopt de taalontwikkeling niet van een leien dakje. Problemen kunnen zich al voordoen op heel jonge leeftijd.

taalstoornissen

Het taalgedrag kunnen we opdelen in 3 aspecten:


Taalinhoud

  • Actieve en passieve woordenschat
  • Semantische relaties (verbanden tussen woorden): begrip en productie
  • Verhalen begrijpen en produceren (

Taalvorm

  • Morfologie: woorden kunnen vervoegen en verbuigen en de betekenis ervan begrijpen (meervoud, verkleinwoorden, werkwoorden, trappen van vergelijking …)
  • Syntaxis: produceren en begrijpen van zinnen

Taalgebruik

  • Begrip en productie van communicatieve functies
    • Expressiefunctie: het uitdrukken van spontane gevoelens
    • Regulatiefunctie: het regelen van de interactie
    • Representatiefunctie: het vragen en geven van informatie
    • Controlefunctie: het onder controle houden van het gedrag van de deelnemers aan de interactie
    • Sociale functie: het leggen en onderhouden van sociale contacten

Conversatievaardigheden

  • Beurtnemen: het om beurten spreken
  • Topic-handhaving: het vasthouden aan het gespreksonderwerp
  • Veronderstellen van voorkennis bij de luisteraar
  • Coherentie: samenhang van de vertelde gebeurtenissen
  • Relatieve referentie van de taaluitingen: woorden verwijzen naar elkaar
  • Register: spreekstijlen en codes aangepast aan de situatie en persoon

Volgende lijsten met alarmsignalen zijn indicatief. Ze geven u een overzicht van de taalvaardigheden die 90% van de normaal ontwikkelende kinderen op de aangegeven leeftijd hebben verworven. Als een kind de vaardigheid op die leeftijd nog niet onder de knie heeft, kan dat wijzen op een probleem.
Om dit uit te klaren, is een breder onderzoek aangewezen. Hoe vroeger je weet wat er met een kind aan de hand is, hoe vroeger ouders, verzorgers en het kind op een aangepaste begeleiding kunnen rekenen.

 

Alarmsignalen bij kinderen van 12 maanden (1 jaar)

Luisteren en spreken

  • Het kind gebruikt geen brabbelgeluiden als spontaan communicatiemiddel.
  • Het kind richt zich niet spontaan naar de geluidsbron.
  • Het kind luistert niet naar wat er gezegd wordt.
  • Het kind schijnt geen eenvoudige zinnetjes te begrijpen (vb. ‘Waar is de auto?’).

Omgaan met anderen/persoonlijkheid

  • Het kind reageert niet op zichzelf in de spiegel.
  • Het kind reageert niet als iets wordt afgenomen.
  • Het kind steekt de handjes niet uit om te worden opgepakt.

 

Alarmsignalen bij kinderen van 24 maanden (2 jaar)

Luisteren en spreken

  • Het kind begrijpt niet wat er wordt gezegd en begrijpt geen eenvoudige opdrachten (vb. ‘Leg de pop in bed’).
  • Het kind zegt niet na wat er wordt gezegd.
  • Het kind gebruikt nog geen tweewoordzinnetjes.
  • Het kind kan nog geen lichaamsdelen aanduiden bij een pop.
  • Het kind gebruikt minder dan 5 woorden naast ‘papa’ en ‘mama’  en zegt zijn eigen naam niet.

Omgaan met anderen/persoonlijkheid

  • Het kind kent geen beurtspelletjes en vertoont geen doe-alsof-spelletjes
  • Het kind experimenteert niet.
  • Het kind huilt zonder duidelijke redenen.
  • Het kind heeft geen belangstelling voor boekjes.

 

Alarmsignalen bij kinderen van 36 maanden (3 jaar)

Luisteren en spreken

  • Het kind begrijpt eenvoudige opdrachten alleen door de gebaren die iemand gebruikt.
  • Het kind zingt geen liedjes mee en/of speelt geen rollenspel.
  • Het kind gebruikt woorden zonder er de betekenis van te kennen.
  • Het kind gebruikt geen zinnetjes van minstens 3 woorden.
  • Het kind praat niet over zichzelf in de ik-vorm.
  • Het kind heeft geen belangstelling voor verhaaltjes.
  • Het kind stelt geen of weinig vragen (vb. ‘Wie is dat?’ ‘Wat is dat?’).

Omgaan met anderen/persoonlijkheid

  • Het kind eist alle aandacht op.
  • Het kind is heel erg teruggetrokken en/of extreem angstig.
  • Het kind zoekt geen contact of heeft geen voorkeur voor bepaalde personen.

Een taaltherapie die wordt opgestart, vindt plaats in het kader van de stimulering van de totale ontwikkeling van het kind. Het doel is de vergroting van de communicatiemogelijkheden en het leerpotentieel van het kind om de totale ontwikkeling te bevorderen.

naar boven

Afasie

Wanneer als gevolg van een hersenletsel een of meer onderdelen van het taalgebruik (praten, het vinden van de juiste woorden, begrijpen, lezen, schrijven en gebaren maken) niet meer goed functioneren, spreken we van afasie.  Afasie, A (niet) fasie (spreken) betekent dus dat iemand niet meer kan zeggen wat hij wil. Hij kan de taal niet meer gebruiken. Afasie is dus een taalstoornis.

Vaak krijgt iemand afasie op oudere leeftijd. Dat hoeft echter niet het geval te zijn. Helaas komt afasie steeds vaker ook bij  jonge mensen voor. Afasie wordt altijd veroorzaakt door een hersenletsel. Vaak is dat een beroerte, maar ook tumoren, een operatie in de hersenen of een (verkeers)ongeval kunnen afasie veroorzaken.

Risicofactoren voor het krijgen van afasie zijn veelal dezelfde als die voor het krijgen van een beroerte: vooral hoge bloeddruk, een ongezonde leefwijze, roken en overgewicht spelen een rol, naast erfelijke factoren en aanleg. Er zijn ongeveer evenveel mannen als vrouwen die afasie krijgen.

Afasie is bij iedereen anders. De ernst en omvang van de afasie zijn onder andere afhankelijk van de plaats en de ernst van het hersenletsel, het vroegere taalvermogen en iemands persoonlijkheid. Sommige mensen met afasie kunnen wel goed taal begrijpen, maar hebben moeite met het vinden van de juiste woorden of met het bouwen van zinnen. Anderen spreken juist wel veel, maar wat zij zeggen is voor de gesprekspartner niet of moeilijk te begrijpen. Deze mensen hebben vaak grote problemen met het begrijpen van taal. Het taalvermogen van de meeste mensen met afasie bevindt zich ergens tussen deze twee uitersten. Let wel: iemand met afasie beschikt over het algemeen over zijn volledige intellectuele capaciteiten!

Bijna altijd is er na het ontstaan van de afasie enig spontaan herstel van de taal. Zelden of nooit is dat herstel volledig. Toch is er met veel oefenen, telkens weer proberen en volhouden vaak verbetering te verkrijgen. Degene die kan helpen met het oefenen van de taal is de logopedist.

Een logopedist geeft onder andere taaltherapie. Bij deze therapie staat het weer kunnen communiceren voorop. Bij de verbetering van de communicatie kunt u als gesprekspartner hulp bieden. De behandelende logopedist kan u hiervoor aanwijzingen geven. Daarnaast besteedt de logopedist aandacht aan lezen en schrijven.

Naast de taalproblemen kan er nog sprake zijn van bijkomende problemen: verlammingen (hemiplegie), problemen bij het handelen (dys- of apraxie), problemen met het zien (hemianopsie), problemen met herkennen (agnosie), problemen met eten, drinken en slikken, problemen met het rekenen, problemen met het uitspreken van woorden (dysarthrie), problemen met geheugen en concentratie.

naar boven

Taalconfusie en dementie

Bij taalconfusie gaat het om taalstoornissen tengevolge van neurologische aandoeningen, dikwijls van traumatische oorsprong. Ze worden gekenmerkt door stoornissen in het herkennen en verstaan van en/of adequaat reageren op spreeksituaties, een gestoord geheugen, verward denken en een desoriëntatie in tijd en ruimte. Er wordt meestal een normaal gestructureerde taal en een juiste zinsbouw gebruikt.

Bij dementie treden er stoornissen op bij de uitvoering van linguïstisch ingewikkelde taken die zich uiten in alle modaliteiten: spreken, begrijpen, lezen en schrijven. Naarmate er meer aandacht, meer abstractie vereist is, nemen de moeilijkheden toe. De taal takelt evenredig af met de mentale functie.

naar boven