Het Klavertje

 

Verbale ontwikkelingsdyspraxie

Kinderen met verbale ontwikkelingsdyspraxie beschikken over de neuromusculaire capaciteit spraakklanken te produceren, maar hebben een probleem met de motorische planning. Er bestaat een onvermogen om de spraakmusculatuur te programmeren voor de bewuste productie van fonemen, woorden en/of zinnen.

ontwikkelingsdyspraxie


Van verbale ontwikkelingsdyspraxie is alleen sprake als het kind uitval heeft op de volgende drie gebieden:

    • problemen met de fonologische planning
    • problemen met de fonetische planning
    • problemen met het motorische spraakprogramma


Kenmerkende symptomen van verbale ontwikkelingsdyspraxie, die uit de anamnese kunnen worden gehaald, zijn: problemen met de voeding, weinig vocaal spel, weinig brabbelen, weinig imitatie tijdens baby/peutertijd, in de familie komen communicatiestoornissen voor, in de familie komen lees- en schrijfstoornissen voor, een vertraagd taalbegin, een geleerd woord wordt slechts één keer gebruikt, moeizame coördinatie van grove/fijne motoriek, lichaamsdyspraxie/stoornis in lichaamsbewustzijn, lichte neurologische symptomen en trage vooruitgang in de therapie.

Tijdens het logopedisch onderzoek kunnen uit het standaard spraakinterview de volgende kenmerkende symptomen worden gehaald: afwijkende spraakontwikkeling, klinkerfouten, meer omissies dan andere spraakfouten, inconsistente fouten, toename van fouten bij complexere spreektaak, metathesis, onmogelijk om een syllabe als geheel intact te houden, fouten rond stemhebbendheid, veel fouten binnen één woord, moeite met articulatorisch complexe klanken, moeilijkheden met opeenvolging van fonemen, epenthesis, moeilijkheden met meerlettergrepige woorden en een gereduceerd foneemrepertoire. Als via standaard spraakonderzoek verschillende van bovenstaande kenmerken zijn opgespoord, moet er nader onderzoek komen.

Uit specifieke onderzoekstaken kunnen de volgende kenmerkende symptomen worden gehaald: dyspraxie voor geïsoleerde en/of reeksen oraal motorische bewegingen, stoornissen in de orale perceptie, een gat in de expressieve en receptieve taal, woordvindingsproblemen, syntactische fouten, begrip in overeenstemming met cognitieve vaardigheden, moeilijkheden met lange verbale instructies, trage diadochokinese en problemen met de opeenvolging in diadochokinese taken.
En ten slotte zijn uit observaties de volgende kenmerken te halen: inconsistente orale/nasale resonantie, nasale emissie, vlakke beklemtoning, en/of traag spreektempo, gebrekkige ‘self-monitoring’, variërende prestaties tussen en binnen de sessies, trial & error, zoekende articulatiebewegingen, stille positionering van articulatiestand, verlengingen en herhalingen .

Kernsymptomen van verbale ontwikkelingsdyspraxie, volgens de auteurs van het Dyspraxieprogramma (1993) zijn: moeite met het sturen van de articulatiebewegingen; zoekende bewegingen, beperkte tongmotoriek, zwakke en onduidelijk vormgegeven articulatie, algemene mondmotoriek moeizaam in uitvoering, moeite met productie van fricatieven, moeite met geïsoleerde consonanten, meeste fouten bij de clusters, toename van fouten bij toename van de lengte van woorden, inconsistent foutenpatroon en onverstaanbaarheid van de spraak. Naast de kernsymptomen, zijn er nog heel veel andere symptomen die per dyspractisch kind verschillen.

Verbale ontwikkelingsdyspraxie is een stoornis die zich ontwikkelt en met de tijd verandert (developmental). De symptomen kunnen veranderen naar mate het kind ouder wordt en ook kan het aantal verschillende symptomen toenemen of juist afnemen. Kernpunt voor de diagnostiek is: kinderen met verbale ontwikkelingsdyspraxie verschillen onderling sterk in de verschijnselen die ze hebben en in de moeilijkheden die ze daarbij ondervinden.

naar boven